Lieven De Myttenaere

In 1927 verscheen bij de Antwerpse uitgever Gust Janssens het eerste deel van Uit het Dagboek van Lieven de Myttenaere, lakenkooper te Gent. Het boek speelt zich af tijdens de godsdiensttroebelen der 16de eeuw, die bekeken worden door de ogen van genoemde lakenkoopman, die zichzelf in de inleiding als volgt voorsteld: Ik heet Lieven de Myttenaere en woon in de korte Nuwelsteeg te Gent, achter het Schepenhuis van den Ghedeele, waar het schild met den gulden kalander boven de deur uithangt. Want ik ben handelaar in lakenstoffen en, ofschoon ik steeds een bewonderaar van de fraaie letteren ben geweest, welke ik in mijne vrije stonden ook wel eens beoefend heb, is het veeleer mijn beroep met den ellestok, dan wel met de ganzenveder om te gaan. De Myttenaere beschouwt zich dan ook niet als de man om boeken of memoriën samen te stellen, zooals deze, welke gij hierachter lezen gaat. Dat hij het uiteindelijk toch gedaan heeft kwam hem op aanraden van zijn achtbare vriend en magister, Johannes à Fontis ofte meester Jan van den Borre, bij wien ik ter Latijnsche schole ben gegaan, en hem herhaaldelijk den raad had gegeven, de merkwaardige gebeurtenissen in schrift te brengen waarvan ik in deze beroerlijke tijden getuige ben geweest. Zoo moge dit tot nut strekken aan de jonkheid, die door mijn ervaringen leere, zich met meer omzichtigheid te gedragen en zoodoende beter de gevaren te ontwijken, dan ik zelf in jeugdige onbezonnenheid wel heb gedaan. Het resultaat was dit eerste deel van wat een triologie zou moeten worden. Uiteindelijk verscheen enkel het eerste deel, De Beroerlijke Tijden, als deel XXVII van De Schelde-Serie in boekvorm, niettegenstaande de aankondiging op pag. 220 van dit eerste deel dat eerlang in dezelfde reeks zouden verschijnen: II. Jonker Jan van Hembijze en III. Dona Marietta de Pelsenaro.Volgens André De Ridder (1934: 21) was deze triologie een poging van Kenis om den grooten vaderlandsch-historischen roman te doen herleven, maar, daar echter slechts de eerste vleugel van het drieluik bestaat, valt 't ons lastig de draagwijdte van dit stoutmoedig opgezet werk te beoordeelen. Wij selecteerden uit dit boek het vijfde hoofdstuk, dat aanvangt op de vooravond van de Beeldenstorm van 1566.

 
Hoofdstuk V

Behalve dat van broeder Pancratius ontving ons huis in de Pensensteeg soms nog het bezoek van een ander monnik die echter slechts zelden en bij hooge gelegenheden kwam. Het was pater Serneels van de preekheeren bij wien mijn vrome moeder elken zaterdag avond en op de vigilie-dagen vóór alle groote feesten te biechten ging. Hij was een streng en hooggeleerd geestelijke, een ijverig ketterjager voor wiens sermoenen de kloosterkerk in het Onderbergen altijd veel te klein was. Slechts door haar groote godsvrucht had moeder het gewaagd een zoo voornaam biechtvader te kiezen, want van de honderden die zich alle dagen rond zijn biechtstoel verdrongen, was er slechts een klein hoopke wier geestelijke leider hij wilde zijn.
Eens dat ik met de mazelen lag en moeder in haar angst hem had laten roepen om mij te belezen, trof hij in ons steegsken frater Pancratius die op de huisbank zijn medaliekens en relikwieën en aflaatbrieven had uitgespreid om te kiezen welk heiligdom voor kinderziekten best geschikt kon zijn. Moeder was in den grond van 't harte fier dat haar biechtvader nu eens kon zien hoe er nog meer geestelijken over den drempel harer schamele woning traden; maar als de voorname dominikaan den armen bedelbroeder bemerkte, fronste hij de wenkbrauwen waarop de goede frater zonder één woord te spreken zijn boeltje bijeen raapte om deemoedig plaats te ruimen. De predikheer vond het niet noodig mij te belezen noch eenige gewijde medalie onder mijn oorkussen te schuiven; hij legde mij de hand op het voorhoofd en ried moeder aan vertrouwen te hebben: hij zou voor me bidden; zoodat ik een paar dagen later genas wat moeder altijd aan zijn heilige voorspraak heeft toegeschreven.
Het kon enkele dagen na Half Oogst zijn, toen kort over den noen het witte habijt van Pater Serneels door het steegje ruischte en zijn schaduw de klaarte boven ons halve deur verduisteren kwam. Vader legde eerbiedig zijn weefgetouw stil terwijl moeder vereerd en verlegen haar handen afvaagde aan haar schort; ik was bang voor den strengen man zoodat ik onbemerkt zocht weg te sluipen, maar zijn scherpe blik, die me dadelijk had ontdekt dwong mij naderbij te komen.
- Vrouw de Myttenaere, vroeg hij, nadat hij met breed gebaar het gansche gezin gezegend had, is deze knaap wel braaf en godvruchtig en volgt hij in alle opzichten het spoor van zijn vrome moeder?
Zijn groote donker oogen priemden dadelijk tot in mijn binnenste waar ik mij aan velerhande dingen schuldig bevond, zoodat ik bedremmeld aan de knoopen van mijn hamizool frommelde zonder aan dien brandenden blik te kunnen ontsnappen. Gelukkig dat moeder mij ter hulp kwam met te zeggen dat ik leerzaam en gewillig was, maar dat het nogal moeilijk viel om de jonkheid den ganschen dag van de straat te houden.
- Buitenshuis is er voor knapen van dien leeftijd niet veel goeds te leeren, vooral nu Gods heilige leer overal op straten en pleinen wordt bespot, zoodat alle slecht gezelschap meer dan ooit dient vermeden.
Ik dacht aan mijn tochten met Joos Proveyn en aan alles wat ik daarop had gezien en gehoord, maar vooral aan den tocht buiten de Pietercelle poort. De oogen lazen tot op den grond van mijn ziel. Doch moeder, vreezend dat zij met haar heimelijken wenk reeds te ver was gegaan, hernam vergoelijkend.
- En vlijtig op school is hij ook, eerwaarde Pater; wij denken hem met Baafmis thuis te houden, om hem ergens op knaapschap te doen.
- Meester Johannes à Fontis is een godvreezend man; bij hem moet men niet duchten valsche leeringen te saam met de melk der wetenschap te moeten zwelgen, ging de monnik voort.
Nog steeds voelde ik den strengen blik op mij wegen en voorzeker ware mijne verlegenheid hem niet ontgaan zoo zijn gedachten niet blijkbaar met iets anders bezig waren geweest. Steeds zonder dat hij een woord behoefde te spreken, begreep ik dat ik buiten moest gaan, waar ik geduldig op de huisbank bleef wachten naar wat er gebeuren ging. Ook vader was bescheiden naar de voute-kamer gestegen.
Een stondeken later kwam moeder mij zeggen, dat ik met Pater Serneels meegaan moest om een boodschap voor hem te verrichten. Ik volgde hem door ons steegsken, over de Koornlei en het Sint-Michiels kerkhof tot aan het pand der predikheeren dat slechs eenige stappen verder lag. Ter nauwernood waagde ik het op te kijken naar de witte gestalte, die barrevoets en in strak plooiende pij vooraan stapte. Zijn gelaat was als uit oud, vergeeld ivoor gesneden met diepe groeven rond neus en mond. De bloedeloos dunne lippen sloten vast op elkaar tot een rechte, smalle streep; kruin en gelaat waren glad geschoren, zonder eenige schaduw zoodat slechts de donker gloeiende oogen als zwarte holen in het bleeke gezicht geboord schenen.
Wij gingen als in een diepen afgrond tusschen den Sint Michielstoren en den hoogen kloostermuur, waarboven slechts een smal strookje uitspansel blauwde. Op het vochtig groene pleintje waar nimmer een zonnestraal doordringen kon, stond een zijdeur open op een breeden eikenhouten trap die ons naar den gang op de eerste verdieping voerde. In de schemering boorden langs weerkanten de celdeuren hun zwarte spitsbogen in den witten wand; slechts aan het einde van den gang, heel ver, viel in het trapportaal een gulden streep licht door de schemering.
De sandalen sleften zacht op de roode tegels van den vloer; ik ging op de toppen der teenen om den hollen weergalm in deze doodsche stilte niet te wekken. Pater Serneels stiet aan de linkerhand een deur open en stond in zijn cel. Het waren vier naakte, wit gekalkte wanden met tegenover de deur het hooge smalle boograam, waarvan de in lood gevatte ruitjes hun groenigen glans op de druk bevaren Leie en de statige rij trapgevels aan den overkant deden schemeren; een schamele alkoof met een bidstoel onder het groote kruisbeeld vulde gansch den muur; onder het raam stond een eiken schrijflessenaar met looden inktkoker en aangesneden ganzenpennen; de andere wanden verdwenen geheel en al achter de boekenplanken waarop de ruggen in zwijns- en kalfsleer, in fransijn en korduaan en perkament evenwijdig naast elkander reikten.
Beneden stonden logge folianten met zilveren sloten en hoekbeslag; dan de zware kwartijnen, verder oktavos en duodecims die rij aan rij tot tegen de gewelfde zoldering stegen.
- Daar anderen wellicht harde tijden, zegde de dominikaan na een lange poos stilzwijgen, terwijl hij mij de hand op het hoofd legde, waarin het goed kan zijn dat de kerk hare schatten in veiligheid brenge: dit hier zijn kostbaarden goed dan goud en edelgesteente of eenig vergankelijken rijkdom. Eens zult ge begrijpen knaap -als de lessen van magister Johannes à Fontis ten minste in geen dorre aarde gevallen zijn- dat dit het beste is wat de mensch op aarde bezitten kan. Ga dan, en breng bij uw moeder de boeken in bewaring welke ik u overgeven zal.
Hij had een voetschabel genomen en streelend gingen zijn spichtige vingers lang de gele en bruine ruggen; maar hij scheen geen keus te kunnen doen onder al deze banden want van de bovenste plank daalde zijne hand weer besluiteloos naar de folianten om dan weer terug naar de duodecims te gaan: Summa Theologica - de Civitate Dei - De Salutaribus Documentis - Omnia Sancti Bonaventurae Opera - Ambrosii de Sacramentis... Zoo las ik op de onderste rijen. Maar zijn hand zocht liefdevol op de bovenste planken waar hij nu en dan een bandje uitkoos dat hij mij overgaf om ter zijde te leggen.
Weldra rees een gansche stapel op bidplank en schrijflessenaar; als er soms een band openviel op een fijn beschreven bladzijde met gothisch of onciaal schrift of sierlijk gerubriceerde drukletteren, herkende ik terloops -schoon ik vele titelen niet verstond die in 't Grieksch gedrukt waren en tot mijne groote verwondering- dat dit de werken van dichteren en wijsgeeren der heidensche oudheid waren, die de monnik aldus boven de folianten der Kerkvaderen had uitgekozen.
Driemaal maakte pater Serneels mij zoo een pak boeken klaar, en driemaal legde ik zuchtend en zweetend den weg af tusschen de Pensensteeg en het predikheerenpand, en telkens zag ik den godvruchtigen pater, aarzelend in gewetensstrijd om te kiezen tusschen de zware boeken der godgeleerdheid en de ijdele wijsheid der ouden; maar telkens behielden deze laatste de bovenhand, en telkens ging een Chrysostomus, een Hieronymus, een Origenes terug naar zijne plank om plaats te maken voor een Virgilius, een Plutarchus, een Horatius, een Ovidius zelfs. Dan eindelijk, maakte de hoogte van den stapel van zelf een einde aan dezen pijnlijken strijd.
- Ga nu, mijn kind, zegde hij met een ongewoon zachte stem zooals ik ze bij dezen strengen geestelijke nog nooit had gehoord. God zal u zegenen om al hetgeen gij voor zijn dienaar hebt gedaan.
Eerst een paar dagen later, toen over de stad de maar ging dat de geuzen alom in den Westkant, te Ieper, te Poperinghe, Belle, Meenen en daaromtrent de kerken plunderden en in brand staken, beelden doopvonten en sakramentshuizekens stuk sloegen en de boeken scheurden of in 't vuur wierpen, begreep ik de voorzorg van pater Serneels.
Want ook in onze stad dreven de wolken van een naderend onweer saam. Dienzelfden avond liep kwaad volk, ribauden en rapalje, thoop voor het klooster der predikheeren waarop de geuzen vooral gebeten waren. "Weg met de tirannen, de bloedhonden en inkwiziteurs!" werd er geroepen. Sommigen schoten met hun bussen over de Leie naar de vensters van het klooster zoodat vele lieden die daaromtrent woonden gereed tot vluchten stonden daar zij vreesden dat hun huizen te saam met het pand zouden in brand gestoken worden.
Er werd ook verteld dat de kannunniken van de Sint Janskerk veel kostbaar ornamenten alsmede de fiertels waarin de relikwieën van Sint Lieven, Sint Bavo en Sint Macharius bewaard werden, naar het Nieuw Kasteel hadden doen brengen; elders hadden de kerk- en gildemeesters de schilderijen en altaartafelen doen weghalen die er in hun kapellen hingen. Voorzichtige burgers brachten hun geld en kleinoodiën in veiligheid of dolven ze weg in den grond; veel priesters dierven niet meer prediken noch zich zelfs op straat vertoonen uit vrees gemolesteerd te worden. Slechts bij de predikheeren, die nochtans het meest bedreigd werden bleef broeder Jan van der Haeghen standvastig in zijn sermoenen tegen de kettersche dwaalleer waarbij hij bitter en fel de geuzen beschimpte; en telkens werd het sakrament zeer solemneellijk met een processie van maagdekens en veel toortsen rond gedragen.
Ook geviel het dat te dien tijde het koren zeer in prijs steeg, dan wanneer veel schamele arbeiders zooals daar waren de volders, twijnders en droogscheerders, de lastdragers en kordewagenkruiers, zonder werk zaten waardoor dit volk desperaat en ongedurig werd. Toen in twee dagen tijd de prijs van het koorn met twee schellingen per zak opsloeg ofschoon de gewassen ten velde zeer overvloedig stonden, begon het gemeen volk te murmureeren en liep saam op den Koornaard waar met de Woensdagmarkt veel koornkoopers aanwezig waren.
Over de huizen heen hoorde ik tot in de pensenstraat het gejouw van dit gepeupel zoodat ik haastig over de Veebrug en den Hooiaard ter plaatse liep om te zien wat er gaande was. Klokslag elf waren volgens gewoonte de broeders uit het Rijke Gasthuis met hun houten lepels gekomen om hun lepelrecht te nemen, 't is te zeggen één lepel uit iederen zak graan die ter markt wordt gebracht.
- Kijk, die vetgemeste papen, die alweer hun deel van het arm volk komen af nemen! had er iemand geroepen; daarop waren de broeders door de vrouwen zoozeer beschimpt en geslagen zelfs dat zij de vlucht moesten nemen.
Toen ik daar kwam was de Koornaard volop in rep en roer: de uitstallingen van de beeryleggers werden omver gestooten en hun zakken uitgeschud of met messen doorkorven, zoodat het graan over de keien stroomde waar het jammerlijk vertrappeld werd. Veel koopers lieten hun waar in steek om ijlings in de nabije huizen een schuilpaats te zoeken, maar het grauw geraakte seeds rumoeriger en overal werd geschreeuwd: Smijt ze dood, de uithongeraars! Vive le Geus en Papen uit!" Anderen zegden dat de Geuzen uit het Westland naar Gent op weg waren om hier ook de beelden te breken, de kerken te plunderen en het goed van de geestlijken aan de armen uit te deelen.
Een lepelbroeder van het gasthuis die niet bij tijds had kunnen wegvluchten lag jammerlijk ten gronde gesmeten door de woedende wijven die hem met de houten schoppen der graanmeters ten bloede sloegen tot dan de wacht hem met veel moeite uit haar handen verlossen en veilig in het Chatelet voeren kon. Alom werden de namen geroepen van rijke koornkoopers of beeryleggersvan wien de maar ging dat zij de prijzen hadden opgedreven; dat men ze aan den eersten den besten deurpost of wagendissel diende op te knoopen, dat men ze in de Leie zou werpen en hun huis in brand steken.
Er werd geroepen op Jaak Lobberjoos, op de gebroeders Lieven en Michiel Braekelman, op Lieven de Croock, Thomas van der Craeyen en ook op den amman Jan van Loo die tevens graankooper was. Maar al deze sluwe handelaars waren reeds lang voor de razende menigte gezwicht en de amman, die op het oogenblik met een der schepenen van den Ghedeele in het gasthuis Den Boom te middagmalen zat, was door dezen oploop zoozeer verschrikt dat hij zich met de keten afliet in een bornput waar hij al de rest van den dag verscholen bleef.
Plots, zonder dat iemand wist waar dit gerucht nu weer van uitging, klonk de maar dat de groothandelaar Jan Doens zijn wagens die reeds op weg naar de stad waren, had doen ommekeeren omdat de stapelheeren een hoogsten prijs voor het koren hadden vastgesteld waarboven er niet mocht verkocht worden. "Smijt hem dood! Het water in! Aan den galge!" klonk het ten allen kant; door het Schuddeveestraatje en de Windasstege stormde het volk naar de Koornlei waar het huis van den opkooper gelegen was. De deurklopper hamerde geweldig op de zware eiken poort; steenen rinkelden in de looden ruitjes; eindelijk hiet het dat de heer des huizes naar zijn buitengoed op Sint Pieters, buiten de Walpoort de wijk had genomen.
Terwijl ik achter het rapalje aanliep dat derwaart stoof, ontmoette ik op den hoek van de Marioleinstraat Joos Proveyn die uit de richting van de Paradeplaats kwam.
- Lieven, riep hij me toe, loop niet mee met dit gespuis dat slechts aan eigen baat en plundering denkt; deze loopen saam om de duurte van het koorn, doch de mensch leeft niet alleen van brood. Om der wille van Gods woord zullen groote dingen geschieden!
Zijn woorden maakten mij zoo nieuwsgierig dat ik deze foele verderop naar de Walpoortbrug liet loopen om te vernemen welke grooter maren mijn vriend wel hebben kon. Sedert den morgen waarop ik hem gemeld had dat mijnheer de graaf van Egmont voort naar Brugge gereisd was, had ik hem schier niet meer ontmoet zoodat hij mij over velerhande dingen en gebeurtenissen beleeren kon. Zijn oogen glansden en zijn stem klonk warm van begeestering.
- De kerken gaan van alle afgoden gezuiverd worden, zegde hij, opdat men er voortaan het woord Gods zou kunnen preeken. Bij de Augustijnen zijn eergisteren twee outaars aan stukken geslagen, en gisteren hebben de gereformeerden hun psalmen al in de Lieve Vrouwenkerk op Sint Pieters gezongen. Ook in de Sint Jans, de Sint Jakobs en de Sint Niklaaskerken hadden die van de religie hun diensten al gehouden zoo de baljuw met zijn hellebardiers het niet belet had. Maar lang zal hij zulks niet meer kunnen: van al de vingteniers die door het magistraat werden aangesteld om de papen en hun goed te beschermen, hebben meer dan de helft geweigerd den eed af te leggen, want zoo zeggen zij, zij en willen geen geweld gebruiken tegen degenen die niets anders voorhebben dat het zuivere woord Gods te verkondigen en alle afgoderij te verdelgen.
Joos Proveyn sprak ernstig en met klem zooals hij dat zelf moest gehoord hebben van de ketters en predikanten waar hij voortdurend mee omging, waardoor ik wel had kunnen bevroeden dat hij toen al met hunne afschuwelijke dolingen besmet of deelve ten minste niet ongenegen was. Maar ik was nog een argelooze knaap die vol ontzag naar den ouderen makker opkeek, wijl deze steeds met al die vreemde heeren te doen had, voor hen allerlei boodschappen verrichten mocht en om zijn scherp vernuft zelfs hun vertrouweling geworden was waardoor hij mij steeds over al het gebeurde te vertellen wist, zoodat ik mij vereerd gevoelde als ik eenige opdracht voor hem volbrengen mocht.
- Morgen, om één uur na den noen zoo vertrouwde mijn makker toe, houden die van de religie een vergadering aan het Tempelhof; de Westkanters, die reeds hun afgodsbeelden gebroken hebben, worden daar ook verwacht.
Ik luisterde niet langer naar wat mijn vriend vertelde: wij waren voort door de Marioleinstraat en over den Kalanderberg in de Koestraat gekomen waar het volk nog altijd naar de Walpoort toe liep; vandaar klonk groot geroep en getier; menschen kwamen aangelopen met ladders en handboomen; men zegde dat de koornkooper Jan Doens dien zij zochten, zich daar verscholen had in het huis De Belle, tegen den wal, waarin men hem verzuipen zou. Wij en konden het huis niet genaken, zoo groot was het gedrum rond de poort, en nog steeds stroomden de menschen toe van de Sint Jansvest, de korte Dagstege, den Kouter en andere straten daaromtrent, met bijlen, breekijzers en houwelen, alsof heel te buurt te wapen liep.
Daar klonk plots de roep: "Aweet! aweet!" De baljuw met de witte roede voorop, kwam toegesneld aan het hoofd van zijn hellebardiers; maar het volk week niet meer eerbiedig opzij, zooals dat enkele dagen te voren nog het geval zou geweest zijn; slechts met moeite gelukten zijn pijkeniers er in hem een weg te banen door het gepeupel dat hem op schimpredenen ontving. Er was geen middel om door het gedrang te geraken dat nog maar immer aangroeide, terwijl er ook steeds duller geroepen werd dat men de uithongeraars in den wal zou smijten. Achter de dienaars der wet sloot de woelig menschenzee weer haar baren, zoodat ik weggedrongen werd van Joos Proveyn dien ik weldra in de foele verloor.
Nog keek ik overal rond, toen het gedrum weer plots vooruit stuwde, in de richting van de poort waar het gejouw nu oorverdoovend geworden was. De pijkeniers hadden den opkooper gevonden die zich tusschen de hanebalken had verstopt en wilden hem nu haar het Chastelet brengen, meer om hem daar voor het razende volk veilig te houden, dan wel omdat er eenige schuld in hem bevonden was. Nu gingen de menschen hem telijf, zoodat hij getrokken en geslagen en met steenen geworpen werd en gansch bebloed in de gevangenis aankwam, waar de pijkeniers nog alle moeite hadden om de belhamels van de poort te houden.
Dien avond en ook dien ganschen nacht bleef het zeer rumoerig op de straat; tot straf voor mijn lang uitblijven had moeder mij zonder eten naar bed gezonden, maar van uit mijn slaapstee achter vaders getouw, waar ik met beide oogen groot open langen tijd wakend lag, hoorde ik nu eens op de Koornlei de wacht voorbij trekken dan weer de geuzen die psalmen zongen of roepen van "Papeen uit!" zoodat ik eerst laat in den nacht eenigen slaap kon vinden.
Den volgenden morgend moest ik spoelen winden, zoodat ik, hoezeer de grond mij ook onder de voeten brandde, geen middel zag buitenhuis te komen. Eerst na den noen toen moeder, Pater Serneel's raad indachtig, mij verder binnendeurs wilde houden, ofschoon nu alles rustig scheen op straat, gaf vader, die anders toch weinig van zeggen was, de toelating:
- Laat den jongen al zijn plezier zoeken; als hij geen grooter kwaad doet dan wat hij op die predikatie leert, zullen wij daarom niet veel verdriet aan hem beleven.
Toen ik van dien wenk gebruik makend haastig de straat was opgeslibberd, bemerkte ik echter dadelijk dat het hier om heel wat anders dan een gewone veldpredikatie te doen was. Alom door de straten zag ik menschen Tempelhofwaarts trekken met pieken en zinkroers gewapend; anderen droegen bijlen, hamers en breekijzers, ladders en touwen alsof men een stad te belegeren of een huis af te breken had. Onder dezen waren veel kleine luiden en schamel gezellen: tierentijn- en smalwevers, droogscheerders, volders en twijnders, scheepstrekkers en kordewagenskruiers, nagelsmeders en klein ambachtslieden die in dezen tijd kwalijk aan den kost gerochten.
Aan den driesch vóór het Tempelhof, waren reeds veel honderd menschen verzameld; sommigen hadden in het lommer der boomen een beschutting tegen de hooge middagzon gezocht of anderen lagen vreedzaam tegen de grasbermen uitgestrekt; maar anderen ook stonden druk pratend in groepjes bijeen zoodat men merken kon dat zij iets in het schild voerden. Wel meende ik hier en daar een gezicht te herkennen dat ik reeds op een geuzenpreek had ontmoet of kwam het mij voor een der talrijke kennissen van Joos Proveyn te zien, maar grootendeels waren het vreemdelingen of gasten die hier slechts in knaapschap werkten, ook varende gezellen, zooals ketelaars, marskramers en schippersknechten uit den Westkant. De ingezetenen burgers uit de buurt zelve stonden nieuwsgierig van op den drempel of van uit het venster dien zonderlingen toeloop aan te kijken. Alkmaar door kwamen er anderen bij, nu ook van binnen de stad, bekende roermakers, leegloopers en troebelwater-visschers, zoodat men zich afvragen mocht op welke nieumaar dat alles naar hier was gestroomd; ook nieuwsgierigen kwamen bij om te zien wat dat alles beteekenen mocht.
Ik drong door de omstaanders heen of ik mijn vriend Joos Proveyn niet ontmoette, die mij steeds over alles berichten kon wat er bij de geusgezinden gaande was; in een grootere groep bemerkte ik slechts een vreemd predikant die voor enkele ijveraars verkondigde dat de kerken nu ook voor hun dienst zouden open gesteld worden, doch dat men ze eerst van hun afgodsbeelden diende te zuiveren. Een paar bekende geusgezinden die in den laatsten tijd openlijk voor de nieuwe religie waren uitgekomen juichten hem uitbundig toe; een paar die volgens ouder gewoonte hun psalmen wilden aanheffen, werden luid overschreeuwd door den kreet van Vive le Geus! of Papen uit! terwijl men hamers en breekijzers zwaaide.
Anderen weer verklaarden dat men de komst van Lieven Onghena moest afwachten, die bij den hoogbaljuw de toelating was gaan vragen om de kerken te zuiveren, zooals men dat in den Westkant en ook te Antwerpen gedaan had.
- Lieven Onghena en zijn broer zijn met Claudeken Goetghebuer naar heer baljuw om hem te verzoeken de kerken voor den gereformeerden godsdienst af te staan! hoorde ik in een groepje zeggen.
- Hij heeft de commissie daartoe van mijnheere van Egmont en van de edelen van het Compromis.
- Op hun vergadering te Sint Truiden is het besluit genomen...
- Mijnheer van Egmont heeft een brief uit Brugge geschreven...
- De hoogbaljuw zal zich tegen het bevel van den heer goeverneur niet durven verzetten...
- Met of zonder commissie: Vive le Geus en Papen uit! Wij zullen Gods tempels zuiveren zooals onze broeders in den Westkant gedaan hebben.
- Durft Lieven Onghena zoo oorlof vragen aan den hoogbaljuw?
- Hij en is niet met zijn broeder, maar wel met twee Oosterlingen, twee Duitsche lakenkoopers die hij in hun land hebben gekend toen hij daar bij de zwarte ruiters diende.
- Is dat de broer van Jan Onghena, den schoolmeester en rethrozijn die zulke fraaie refereinkens maakt en met de gilde van den voetboog om prijs uitrekt?
Op dit oogenblik ontstond een geweldig gedrang naar de richting van de Sinte Margriete-straat waar enkele mannen op uitkijk stonden om de terugkomst af te wachten van de afgevaardigden bij den hoogbaljuw.
- Daar zijn ze! daar zijn ze! klonk het allerwege, terwijl een gedeelte van de woelige menigte naar het kerkhof drumde en de anderen weer de afgezanten te gemoet snelden.
Inderdaad boven de anderen uit stak de stoute gestalte van Lieven Ongehena met zijn twee gezellen, die van uit de verte met de hand teeken deed dat alles goed was. Achter hem kwam Artus Bousse, de dienaar van den hoogbaljuw aangestapt met drie hellebardiers die met hun pijken een weg door de steeds woeiliger menigte moesten banen.
- Kijk! daar zijn de pijkeniers van den baljuw: de overheid zelve geeft het bevel dat wij de kerken van hun afgodsbeelden zouden zuiveren. Vive le Geus en papen uit! Smijt de afgoden stuk. De sleutels hier of wij beuken de poort in!
Niemand luisterde naar Artus Bousse die door zijn pijkeniers een kring had laten vormen en het volk aanmaande dat alleen zij die daartoe gecommitteeerd waren, de beelden zouden breken, doch dat niemand hem, op staf van de stroppe, vervoorderen zou te stelen of iets weg te nemen. Daar was echter geen houden meer aan: over het lage kerkhofmuurken sloeg de branding tot tegen het gebouw: graven werden vertrappeld, zerken en kruisen omver geworpen; hamers en bijlen bonkten op de poort, maar deze bleek niet te begeven en bleef vast staan in haar onwankelbare hengsels. Ladders werden echter reeds tegen de ramen geplaatst en anderen kwamen met een balk aansleuren om de deur te rammelen.
Links buiten de kerk verhief een groot Christusbeeld de gekruisigde armen boven den razenden menschenhoop; tot nog toe had niemand het gewaagd er een hand naar uit te steken. Nu wankelde het boven al die schouderen uit; een kring werd gevormd aan zijn voet: bijlen kwamen neer en spaanderen stoven weg; een strik werd rond de armen geworpen en weldra plofte het kruis krakend op den grond, midden in de beeldstormers die in allerhaast weg stoven om het in zijn val te ontwijken; een oogenblik stonden zij besluiteloos, als verschrikt door hun eigen daad; dan vielen allen met verdubbelde woede op het beeld los, met hamers en kapmessen zoodat de stukken en splinters in het ronde sprongen.
Tot dan toe had ik heel deze beroerte en rudenesse van uit de verte aanschouwd, als een nieuwsgierige knaap wien de jaren nog de bedachtzaamheid niet geschonken hebben welke in het verder leven door de omstandigheden van ons worden vereischt; zoo is dan later ook gebleken hoeveel personen hun doening en handelwijze op dezen dag bitter hebben berouwd. Toen ik het zware Christusbeeld daar op den grond zag neerstorten, vreesde ik niet minder dan dat de aarde zou openscheuren om onder donker en bliksemslagen al deze heiligschenners levend te verzwelgen, zooals pater Pancratius had voorspeld.
Ondertusschen was Lieven Onghena met de hellebardiers van den baljuw den koster gaan opzoeken die nu niet langer de sleutels dierf weigeren, zoodat weldra de kerk wagewijd aan geuzen en beeldenbrekers overgeleverd was. Als een onstuimige zee stroomde het naar binnen, waar boven gesjoel en rumoer de doffe slagen uitblonken die aantoonden hoe de beelden van hun voetstukken werden neergehaald; knuppels vlogen in de geschilderde glasramen waarvan de bonte scherven rinkelend op het kerkhof neerhagelden, hamers beukten op de marmeren altaartafelen die stuk sprongen; langs deuren en vensters werden onthoofde en verminkte heiligbeelden, verscheurde schilderijen, verwrongen kandelaren, gebroken kerksieraden naar buiten gegooid. Terwijl de eenen dus in den tempel bezig waren, verbrijzelden anderen de grafsteenen op het kerkhof of rukten de koperen platen met de wapens en inschriften van de zerken.
En nog almaar door groeide het getal beeldenbrekers aan. Buiten hielden gewapende geuzen de wacht opdat het vernielingswerk door niemand zou gestoord worden; ook nieuwsgierigen deden nu meer, zeggende:
- Kijk! 't is de overheid die het geboden heeft. Daar zijn de dienaars van den baljuw; hij heeft gezegd dat men de beelden neersmijten moest, maar dat niemand iets stelen mocht.
En een ander weer:
- Nu loop ik gauw naar huis een instrument halen om mee te breken.
Ondertusschen waren de religieusen van het nabijgelegen Augustijnenklooster en de Karmelieten van het vrouwenbroerskloosters, die wel zagen dat de beurt aan hen komen ging, met groote vrees bevangen zoodat zij in allerijl de deuren sloten om hun grootse kostbaarheden in veiligheid te brengen.
't Was alsof de geuzen uit heel den omtrek echter wisten wat er in de stad gebeuren moest; van buiten de muren, van Wondelghem en Meulestede, van Drongen, Mariakerke, Rooigem kwamen gewapende benden toegestroomd terwijl ook het gepeupel dat zijn vernielingszucht bot vieren mocht, talrijk kwam aangeloopen. Als nu de gebroeders Onghena, die zich als kapiteins van den beeldenbrekers aanstelden, zoo'n groote macht onder hun bevel vereenigd zagen, werden zij nog veel stouter van gemoed en begaven zich naar de abten en priors van beide kloosters om hun aan te raden liever gewillig de poorten te ontsluiten, daar zij anders voor hun mannen niet langer instaan konden.
De kloosteroversten zagen wel dat tegen die razende menigte geen weerstand baten zou: balken en handboomen werden reeds aangebracht voor de deur, terwijl sommigen schreeuwden dat men liever mutsaard diende aan te schaffen om, nu men het hier toch van papisten zuiveren wou, heel den wespennest uit te branden. Om erger geweldpleging en wellicht ook bloedstorting te vermijden, besloten de religieuzen geen nutteloozen weerstand te bieden; velen waren trouwens reeds weggevlucht of hadden een schuilplaats bij bekenden gezocht; anderen weer hadden hun kostbaarheden in veiligheid gebracht bij vrienden uit de buurt of waren naar het magistraat gesneld om bijstand te vragen.
Zoo begon nu ook het verbrijzelen en vernielen bij de Augustijnen en de vrouwenbroers, maar met nog verdubbeld geweld: ladders werden tegen de muren gesteld om de glasramen stuk te slaan, de beelden naar beneden te werpen, de schilderijen met messen te doorkerven en het snijwerk van voetstukken en kolommen met hamers te verbrijzelen; altaren en biechtstoelen werden omvergetrokken, de orgelpijpen afgerukt of ingebeukt; daarop werd alles naar buiten gesleept en op het kerkhof tot een hoogen hoop gestapeld waarboven weldra een dikke rookwolk in de hoogte kronkelde.
Ik liep nu eens naar het Augustijnenklooster en vandaar naar de vrouwenbroers en dan weer terug naar het Tempelhof om toch maar overal bij te zijn bij al deze gruwelijke dingen die mij nu nog het hart in het lijf verstijven doen van angst. Over de torens en tinnen van het Prinsenhof, achter de boomen aan den anderen kant van de Lieve, begon de neigende zon reeds een rooden gloed aan de kim te ontsteken zonder dat ik er toe besluiten kon huiswaarts te keeren, ofschoon ik wel gissen kon welke strenge berisping mij daar te wachten stond als ik dezen onheilvollen dag nog zoo laat op straat dorst te blijven. En ofschoon ik wist hoe ongerust moeder thans moest zijn, bleef de nieuwsgierigheid sterker dan de vrees voor straf.
Vrouwen en kinderen deden mee aan het spel; ik zag er rond loopen met koorhemden en kazuifels gekleed; ze sleurden de processievanen door het slijk; droegen kelken, gewijde vaten, kandelaars en flambouwen; anderen zamelden het kostbaar metaal in van de stuk geslagen ciboriën, monstransen en patenten, zoogezegd om deze waardevolle zaken in handen van het magistraat te leveren.
Bij de vrouwenbroers werden de beeldstormers geleid door den loodgieter Gijselbrecht Cools wiens broeder in het klooster profes was geweest doch sedert dien de kap over de haag geworpen had om een dier gereformeerde veldpredikanten te worden. De manke Gijselbrecht zelve, die lang in het klooster gewerkt had waar hij dus goed bekend was, toonde den weg door gangen en kamers, roepende:
- Hier zijn nog al meer tafereelen geschilderd en gesneden; komt mede, ik zal ze wel vinden.
Welke beeldenbrekerij hem kwalijk gediend heeft, want hij werd daarom korts na datum aan een kruisgalg, te saam met Jan Cooman en nog ander beeldstormers opgehangen.
Onder het volk dat de vrouwenbroers geen bijzonder kwaad herte toedroeg, werd er geroepen:
- 't Is genoeg alhier! 't Zijn geen kwade knechten, de vrouwenbroers! Laat ons naar de Preekheeren trekken!
- Ja! naar het pand van de Preekheeren! weg met de inkwiziteurs! Smijt ze dood! de bloedzuipers! De Leie in!
Achter de boomen van het Prinsenhof was de zon reeds verdwenen, zoodat ik het hier niet wagen dorst nog langer over de straat te slenteren. Door de Tinnen-Potstraat en het Groot Gewat wilde ik huiswaarts keeren; overal snelden groepen beeldstormers met ladders en koorden naar kerken en kapellen om er hun werk voor te zetten.
- Naar het Veirle-plein! hoorde ik roepen. Naar de Sint Veirle-kerk en het gasthuis! Naar 't klooster van Galileeën! Naar Sint Pieters! Naar de Bijloke en den Groenen Briel! Naar de zwarte zusters en de Sint Agneten! Naar het Rijke Gasthuis! Naar het groot Begijnhof! Naar de prochie-kerken! Smijt het al omver! Papen uit en Vive le Geus!
Langs de straat lagen stuk geslagen kerkmeubelen, flarden van goudbestikte misgewaden, afgehouwen ledematen van heiligenbeelden of van wassen dankoffers; gebeeldhouwde deuren van altaarhuizekens, biechtstoelen en kommuniebanken; losgescheurde bladen van kostelijk verluchte missalen fladderden in den avondwind. Kinderen in kerkgewaden, met verminkte beelden, verscheurde schilderijen en processievanen trokken psalmen-zingend voorbij. In dezen zoomeravond stonden de rustige burgers met de dood in 't harte, dit schouwspel aan te zien.
Tenden de Breidelstraat meende ik rechtsaf naar huis te keeren, maar aan den tol van Aishove vóór de Veebrug, hoorde ik hoe overal rondom de beeldstormers bezig waren; het kapelleken van de bierkruiers was stuk geslagen, het Lieve Vrouwenbeeldje op den hoek van de Drabstraat uit zijn nis gehaald en de stukken van den lantaarn lagen ten gronde tusschen vertrappelde offerkaarsen. Links, over de huizen van den Hooiaard en het Schuddevee-straatje, hoorde ik het rumoer rond de Sint-Niklaaskerk; rechts moesten ze bezig zijn op Sint Michiels, achter mij op het Veirle-plein. Heel de stad was overgeleverd aan de beeldenbrekers. Over het water zelf, recht vóór mij uit, kwam het oorverdoovend geraas van de Sterrebrug. Daar lag het klooster van de predikheeren, de Dominikanen die in den raad van inkwizitie zetelden en waartegen de grootse haat van de ketters raasde. Afgerukte paneelen en portalen, afsluitsels en bidstoelen dreven met stukken papier en handschriften op het donker glazend water. Plots herkende ik een stuk gebeeldhouwde leuning van het doksaal: een engel die op zijn uitgebreide vlerken het evangelieboek droeg en wiens naakten voet zoo glimmend was gepolijst, omdat wij kinderen er steeds met de hand over streelden, als wij de mis of de vespers moesten gaan zingen.
Op een draf snelde ik over de Koornlei, zonder te bedenken dat hier vlak bij in de Pensensteeg, vader en moeder zich wellicht doodelijk ongerust maakten over mijn lang uitblijven in al dit tumult. Het gedrang was zoo groot, en zoodanig stroomden van alle kanten de nieuwsgierigen toe, als bij een grooten brand, dat ik al eerst de brug niet over kon doch een omweg moest doen langs de Veldstraat en de Nodenaysteeg, om weer op de lei te komen waar aan den overkant de achtergevel van het Predikheerenklooster zwart uit het water oprees.
In de lange rij spitsboogvensters, die nog zwarter den donkeren muur doorboorden, trachtte ik dat van de cel te herkennen waar Pater Serneels mij nog geen twee dagen geleden zoo liefdevol over kostbaarder schatten dan goud en edelgesteenten gesproken had: de boeken en manuscripten die nu als waardeloos stroo met het water mee dreven. Ik zag er den grooten strengen man in zijn witte pij, met de kaalgeschoren kruin en de sandalen. En ofschoon ik eerst later de schoonheid der schrijvers en dichteren van de oudheid heb leeren begrijpen, was het alsof ik nu plots den zielestrijd doorzien kon die er in hem brandde, toen deze geloovige christen liever de zware folianten van Chrysostomus, Thomas Aquino, Augustinus, Athanasius, Gregorius en Bernardus prijs gaf, dan wel de kleine heidensche boekjes van Virgillus, Ovidius Naso, Horatius Flaccus en anderen, die nu veilig achter de alkoof in de voutekamer geborgen lagen.
Waar mocht Pater Serneels nu toeven? Hij was een van de grimmigste ketterjagers, een onverbiddelijk inkwiziteur, een van de felle predikers wiens sermoenen de kerken deden volloopen, tot buiten het portaal, in het kerkhof en op straat. Hadden de geuzen hem, zooals ze zoo dikwijls hadden gedreiged, door het raam in de Leie gesmeten; of hadden zij hem aan een wagendissel opgeknoopt? Had hij kunnen wegvluchten of zich verstoppen? Wat was er van zijn ander boeken geworden, die hij hooger achtte dan al het vergankelijk goed?
Weer trachtte ik in den donkeren muur het venster van de cel te onderkennen, maar zag slechts een eentoonige rij spits toeloopende vlekken van gelijke grootte naast elkaar. Hier en daar hing een stukgeslagen raamkozijn uit den gevel; nu en dan plofte nog een voorwerp in het water: een knielbank, een stuk huisraad of een crucifix; zwarte gestalten werden even in het donker van een raam zichtbaar en hun schimpscheuten en hoongelach klonk luider telkens bij het oppletsen van het water in de Leie; boeken vooral werden bij armvollen naar beneden geworpen zoodat de losgescheurde bladeren als sneeuwvlokken op het water dreven. Want de libraije van de paters was aan den overkant, tegen de Leie, gelegen en geen klooster was zoo rijk van schriften voorzien als dat der Dominikanen.
Tegen de Sterrebrug waren twee menschen bezig de boeken op te visschen, waarvan zij reeds een kordewagen met gansche zakken vol hadden. Maar toen een vrouw hen daarover verwees, zeggend dat de baljuw wel toegelaten had te breken maar niet te stelen, waren zij daardoor zoodanig verschrikt dat zij hun zakken terug in het water uitstortten; hetwelk zeer jammer was.
- Zij hebben het nogal bont gemaakt, hoorde ik een burger naast mij zeggen: in de cellen, in de refters en dormters, in kelder en keuken, tot op den zolder toe, nergens hebben zij iets heel gelaten; schabellen, stoelen en schapraaien, tot de steenen potten en fiolen, alles is stuk geslagen; de bedden hebben zij opengesneden en de pluimen in den wind gestrooid.
- In de kelders hebben zij de kranen uit bier- en wijnvaten getrokken, zoodat zij tot over hun enkels in het nat stonden en den drank met pullen en kitten scheppen kinden; ja, daar waren er die het bier uit hun bonetten dronken. De boterstullen hebben ze tegen den muur gesmakt en de waskeersen onder de voeten vertrappeld.